West-Europa heeft de warmste zomer sinds het begin van de metingen achter de rug, met een gemiddelde temperatuur van 21,7 graden. Tegelijk tekenden de Europese rivieren hun laagste gemiddelde debiet op sinds de metingen in 1992 begonnen, blijkt uit cijfers van de Europese klimaatdienst Copernicus.
De cijfers, gepubliceerd op 2 oktober 2026, tonen dat het West-Europese gemiddelde over juni tot en met augustus 2,5 graden boven het gemiddelde van 1991-2020 lag. Voor Europa als geheel was het de op twee na warmste zomer ooit gemeten. Opvallend was vooral hoe lang de hoge temperaturen aanhielden: West-Europa telde zeventien dagen waarop minstens 60 procent van het landoppervlak temperaturen van 30 graden of hoger te verwerken kreeg. Tijdens de beruchte hete zomer van 2003 waren dat er elf, in 2025 zeven.
Ook hittestress kwam wijdverspreid voor. Aan het einde van de zomer had 52 procent van Europa minstens "zeer sterke" hittestress meegemaakt, een maat die rekening houdt met de luchtvochtigheid en aangeeft hoe warm het voor mensen aanvoelt, met een gevoelstemperatuur van 38 graden of hoger. De hitte begon bovendien vroeg: eind mei kreeg een groot deel van West-Europa al te maken met een grote hittegolf.
Naast de temperaturen liet ook de droogte zich gelden op de Europese waterwegen. De rivieren voerden uitzonderlijk weinig water af en noteerden hun laagste gemiddelde debiet sinds de metingen in 1992 startten. Ook de watertemperatuur van de zeeën rond het continent was in de periode van juni tot en met augustus ongebruikelijk warm.






