In het debat over kansengelijkheid gaat veel aandacht uit naar gelijke kansen voor verschillende groepen jongeren. Maar een belangrijke vorm van ongelijkheid blijft vaak buiten beeld: de ongelijke toegang tot sociaal en cultureel kapitaal.Op de Rotterdamse Koningin Wilhelmina School in Crooswijk zien ze een groei in het aantal werkende ouders die ondanks lange werkdagen moeite hebben om financieel rond te komen.

Dit zorgt ervoor dat kinderen minder aandacht en ondersteuning thuis krijgen, wat hun ontwikkeling kan beïnvloeden.Bron Veerle Haan voor de VolkskrantDit artikel is geschreven doorShilove ter SmittenGepubliceerd op 17 juni 2026, 20:00Leestijd 3 minTwee jonge mannen kwamen bij ons het klaslokaal binnen om te vertellen over maatschappelijke betrokkenheid.

Ik was 17 en studeerde mbo luchtvaartdienstverlening. Zij waren 20 en 21 en studeerden aan de universiteit. Een van de twee schraapte zijn keel en vertelde met een hese, studentikoze stem dat het goed voor de persoonlijke ontwikkeling zou zijn om vrijwilligerswerk te gaan doen.

Dan kunnen wij namelijk ook ons steentje bijdragen aan de samenleving en het zou ook nog eens goed staan op ons curriculum vitae.Twee woorden waar ik tot die dag nog nooit van had gehoord. Om mij heen zag ik medestudenten onderuitgezakt in hun stoel zitten. Sommigen scrolden op hun telefoon, anderen staarden verveeld voor zich uit en een enkeling zat hevig mee te pennen met de woorden van de twee heren.

De woorden van de twee jonge mannen botsten met de werkelijkheid van veel studenten in die klas.Kwestie van overeind blijvenIk staarde uit het raam, denkend aan de lange werkdag die mij te wachten stond. Eerst om 5 uur uit de veren om broodjes te bakken bij Albert Heijn en daarna zes uur met dienbladen rennen in de horeca.

Twee verschillende werkuniforms lagen verfrommeld in mijn tas. Alles om geld te sparen zodat ik op een dag in dezelfde studiebanken van de universiteit terecht zou komen en dan ook aan mbo-studenten kon vertellen dat ze zich meer moesten inzetten voor de maatschappij.

Maar tegen de tijd dat ik thuiskwam, was maatschappelijke betrokkenheid vooral een kwestie van overeind blijven.Terwijl politiek Den Haag vorige week debatteerde over kansengelijkheid en inclusie in het onderwijs, blijft één vorm van ongelijkheid opvallend buiten beeld: de culturele hiërarchie tussen theoretisch en praktisch opgeleiden.

Onderwijsonderzoeker Pomme van de Weerd laat zien dat mbo-studenten in Nederland nog vaak worden benaderd vanuit een tekortperspectief: de nadruk ligt op wat zij zouden missen ten opzichte van theoretisch opgeleiden.Wat wij ambitie noemen, is echter opvallend vaak kennis van de juiste spelregels.

Wie weet al wél op jonge leeftijd wat een curriculum vitae is of wat er aan bod komt tijdens een sollicitatiegesprek? Sommige jongeren krijgen die regels vanuit huis mee en anderen moeten ze onderweg zien te leren.Vrijwilligerswerk of een bestuursjaarWe behandelen participatie alsof het een individuele keuze is.

Dat je veel verschillende mensen láat meedoen, betekent niet dat iedereen dezelfde tijd, ruimte en culturele kennis heeft om mee te doen. Veel mbo-studenten combineren school met werk, helpen thuis mee of dragen financieel bij aan hun gezin. Maar die vormen van verantwoordelijkheid tellen minder snel als maatschappelijke betrokkenheid dan vrijwilligerswerk of een bestuursjaar.Wanneer deelname aan vrijwilligerswerk, jongerenraden of bestuursjaren de maatstaf wordt voor betrokkenheid en ambitie, bepaalt ook iemand anders wat als waardevolle participatie geldt.

Diversiteitsdeskundige Saniye Çelik wijst er al langer op dat inclusie niet alleen gaat over wie aan tafel zit, maar ook over de normen die bepalen wie zich daadwerkelijk erkend voelt. Juist daar blijft het Nederlandse inclusiedebat opvallend oppervlakkig. Sommige jongeren krijgen van hun ouders tips voor hun LinkedIn-profiel nog voordat ze oud genoeg zijn voor een rijbewijs.Wie van jongs af aan leert hoe je jezelf presenteert in professionele omgevingen, hoe je spreekt in vergaderingen of welke vormen van participatie status opleveren, beweegt zich soepeler door instituties die precies deze vaardigheden waarderen.

Het gevolg is dat jongeren zoals ik voortdurend moeten bewijzen dat hun betrokkenheid even waardevol is, simpelweg omdat zij haar in een andere culturele taal uitspreken. Juist dát bepaalt wie als ‘veelbelovend’ of ‘professioneel’ gezien wordt.Perspectieven van jongerenWe moeten daarom stoppen met de vraag waarom jongeren zich minder verbonden voelen met onderwijsinstellingen en de samenleving.

Want wanneer betrokkenheid alleen wordt herkend in vormen die cultureel vertrouwd zijn, raken we niet alleen talent kwijt. We verliezen ook de perspectieven van jongeren die de samenleving vanuit een andere werkelijkheid ervaren.Een interessantere vraag is voor wie instituties eigenlijk vanzelfsprekend ontworpen zijn en welke vormen van betrokkenheid zij bereid zijn om serieus te nemen.We vragen ons nog te vaak af: ‘Is het kind klaar voor school?’ in plaats van: ‘Is de school klaar voor het kind?’ Die vraag zouden we niet alleen over scholen moeten stellen, maar ook over onze ideeën over ambitie, professionaliteit en wie wij als maatschappelijk betrokken beschouwen.Want zolang inclusie betekent dat jongeren zich moeten aanpassen aan bestaande culturele normen, blijft iedereen welkom, maar wordt slechts een fractie van hen werkelijk erkend.Lees ookGeselecteerd door de redactie