Op 29 juni 2026 legden financiële deskundigen het begrip 'sterftewinst' in het Nederlandse pensioenstelsel uit. Dit is de winst die pensioenverzekeraars maken wanneer verzekerden eerder overlijden dan de gemiddelde levensverwachting waar in de berekeningen mee wordt gewerkt.
Sjaak Zonneveld, directeur van BrightPensioen, stelt dat bij pensioenen uit de tweede pijler (via de werkgever) wordt gerekend met een gemiddelde uitkeringsduur van ongeveer 18,5 jaar na de pensioenleeftijd. Wie langer leeft kost het fonds geld, wie eerder overlijdt laat een 'overschot' achter. Dat geld gaat naar het pensioenfonds of de verzekeraar en wordt gebruikt om de pensioenen van langlevers te betalen – plus een winstmarge voor de verzekeraar.
Volgens Zonneveld is pensioen 'een soort levensjaren-kansspel': overlijd je jong, dan blijft het restant van jouw pensioenpot bij de verzekeraar, niet bij je erfgenamen. Dit geldt alleen voor de tweede pijler. Bij de derde pijler (individueel pensioen) kies je zelf de uitkeringsduur en kan een eventueel overschot worden nagelaten.
De uitleg verduidelijkt een veelvoorkomend misverstand: bij werkgeverspensioen gaat het geld bij vroeg overlijden niet naar de familie, maar naar het collectief.






