De ebola-uitbraak in de Democratische Republiek Congo blijft verergeren. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie zijn er inmiddels 1.460 besmettingen geteld en bijna 450 doden. De Afrikaanse centra voor ziektebestrijding (Africa CDC) waarschuwden vorige maand dat dit de ergste uitbraak ooit zou kunnen worden, erger dan de epidemie van 2014–2016 waarbij 11.000 mensen omkwamen. De zwaarst getroffen provincie is Ituri, met meer dan 1.200 gevallen en circa 300 doden. In de naburige provincie Noord-Kivu zijn 116 gevallen gemeld.
In Beni, een stad met meer dan 200.000 inwoners in Noord-Kivu, is de Nederlandse verpleegkundige Van Braak bezig de hulp op te schalen. Hij meldt dat het aantal gevallen langzaam stijgt en dat systemen voor contactopsporing en isolatie ondergefinancierd en slecht onderhouden zijn. “Dat is alarmerend. Niet alleen omdat er meer gevallen zijn, maar ook omdat we heel veel dingen nog niet zien”, zei hij per videoverbinding. Veel inwoners maken zich volgens hem meer zorgen over werkloosheid en bestaande veiligheidsproblemen dan over ebola.
Te midden van de crisis is het Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) uit Antwerpen, samen met het Congolese INRB, gestart met de eerste klinische proef met behandelingen specifiek gericht op de circulerende Bundibugyo-variant. Professor Laurens Liesenborghs diende op 2 juli 2026 de eerste dosis toe. “Het is een klein lichtpuntje in een heel moeilijke epidemie”, zei hij. Behandelcentra zitten volgens hem meteen vol zodra ze opengaan.
Het wantrouwen jegens hulpverleners bemoeilijkt de contactopsporing en indamming. “We hollen de epidemie achterna; die is absoluut niet onder controle”, aldus Liesenborghs.






